|
‘Dat is nog niet zo gek,’ zei Anka toen ik was uitgeluld. ‘Laten we dat doen, vier dingen met elkaar delen en meer niet, zoals Mondriaan Broadway heeft proberen te vatten in slechts drie kleuren plus wit.’ Ik lachte. Anka niet. Bloedernstig staarde ze naar de Boogie Woogie op het diascherm. Misselijk werd ik plots van al die gekleurde vlakken. Ze stellen geen straten voor, maar prikkels op een zenuwbaan, wou ik zeggen. Het is geen weergave van een stad, maar van een dwangneurose. Maar ik zei: ‘Oké, je mag vier dingen van me weten, op voorwaarde dat we daarna samen in bad gaan.’ Ditmaal scheen mijn directheid Anka niet te ergeren. Ze kwam zelfs dichter bij me zitten. ‘Laten we meteen beginnen,’ zei ik. ‘Wat zullen we elkaar vertellen voor ‘wit’?’ ‘Wit staat voor ruimte,’ zei Anka. ‘Laten we voor ‘wit’ over onze lievelingsplaats vertellen, meer niet.’ ‘Ja,’ zei ik. ‘Laten we beginnen met iets wat er eigenlijk niet toe doet.’ Maar zo had Anka het niet bedoeld. ‘Wit is net de draagkracht, de essentie!’ verbeterde ze me. Ik trok een rode lok uit haar speld om haar ernst te doorbreken. Ze leek het niet te merken. ‘Plaatsen zijn het enige wat werkelijk blijft,’ zei Anka. ‘Als je je kind hebt leren fietsen in een park en jaren later wordt daar een autosnelweg aangelegd, heb je het nog steeds daar precies op die plaats en nergens anders leren fietsen. Die ruimte zelf kan niemand van je afnemen, de ligging blijft voor immer hetzelfde.’ Inderdaad, dacht ik, al wordt hier twee eeuwen na mijn dood een subtropisch zwemparadijs gebouwd dan nog heb ik exact op deze plaats nu zitten praten en willen vrijen met haar. Tenzij de planeet vergaat, dacht ik. Hoewel, het stuk ruimte dat na het ontploffen van de aarde overblijft is in wezen nog altijd verdeelbaar in precies dezelfde coördinaten. Of is niets in niets in te delen. Ik ben er nog steeds niet uit.
|